Gedachten komen en gaan in mijn hoofd, het is er een wirwar, denkend aan mijn opvatting over de maatschappij en de vervrongen werkelijkheid van vandaag. Plotseling ben ik weer weg...weg naar andere dingen, flarden van een muziekstuk op de radio brengen ineens pijnlijke dingen boven . Zie gezichten weer voor me en hoor de stem erbij in mijn oor..
Ik neem nog wat koffie,de poes komt ook weer even bij me zitten..zachtjes streel ik haar vacht en knuffel haar even. Weer zweef ik weg,ver weg naar andere dingen uit mijn leven, drijvend op een ijle wolk door de lucht. De kou buiten is een weldaad voor mijn gevoel, wolken jagen door de lucht en symboliseren de vergangkelijkheid van het leven.
Het leven met al zijn mooie en al zijn pijnlijke dingen..het leven moeten we allemaal leven.
Het leven in al zijn facetten,soms moeilijk en soms makkelijk.
Vaak denk ik: nu ik eenmaal leef, laat het dan verdomme niet te vergeefs zijn.
korrels krijgen hun betekenis als ze bijelkaar geveegd worden
zondag 13 februari 2011
zaterdag 12 februari 2011
ereplaats
De trein vertrok. De wagon schokte enkele keren en Watte perste de laatste kracht uit zijn benen om zijn bagage in het net te krijgen dat vervaarlijk doorzakte boven zijn hoofd.
Op dat ogenblik begon de trein met een schok sneller te rijden. Watte klauwde zijn vingers in de kabels van het net. Hij had geen tijd meer om steun te zoeken voor zijn voeten. Hij voelde hoe zijn geest werd meegezogen in de stroom. Steeds hoger, tot hij het gevoel had langs de trein te wapperen als een vlag.
De gedachte dat hij de plek waarmee hij zo verkleefd was zou verliezen en dat hij de hele verdere verre reis zonder vast steunpunt zou moeten maken, dreigde hem te verlammen.
Hij raakte in paniek. Hij haalde diep adem. Probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat hij het wel zou redden. Zweet stond op z,n voorhoofd.
Toen de trein opnieuw even vaart minderde, zakte zijn lichaam omlaag. Zijn voeten vonden de grond die hij nodig had. Hij drukte zich dicht tegen de zitting van de versleten treinwagon aan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Harder dan de wielen op de rails. Pas toen hij een beetje op adem gekomen was, keek hij om zich heen
Gelukkig , een lieftallige medereizigster zat tregenover hem. Ze grijnsde.
'Je wilde toch de wereld zien?!'zei hij tegen zichzelf.
Na de dag gleed de nacht voorbij als water. Nu en dan dreigde hij in slaap te dommelen, maar voor hij helemaal wegzonk, besefte hij telkens met een schok dat hij wakker moest blijven. Reizen is naar jezelf kijken tegen een andere achtergrond.
Hij keek in het raam van de trein. Daarachter was alles donker. Als hij het te kwaad kreeg, drukte hij zijn gezicht tegen het glas. Soms flitsten lampen voorbij en moest hij zijn ogen sluiten tegen het felle licht. Daarna moest hij al zijn wilskracht verzamelen om zijn oogleden weer uit elkaar te scheuren.
De vouwbalg tussen de twee wagons kreunde.
Toen hij voorzichtig met zijn hand over zijn bezwete borstkas ging, voelde hij dat zijn hemd doornat was. Hij hield zijn hand voor zijn gezicht, maar pas toen de trein voorbij enkele straatlantaarns reed, kon hij zien dat er bloed aan zijn vingers kleefde.
Het afscheid van huis,haard en vrienden had een echte wond geslagen in zijn door pijn gekneusde lijf.
'Men moet van vrienden scheiden zoals Odysseus van Nausica afscheid nam, meer zegenend dan verliefd ', dacht hij .
Hij viel vermoeid tegen de schouder van de nog steeds glimlachende medereizigster in slaap. De trein denderde voort, een nieuwe wereld tegemoet.De wereld is een theater waar de slechtste lieden de beste plaatsen hebben maar hij had op haar schouder een ereplaats gevonden.
Op dat ogenblik begon de trein met een schok sneller te rijden. Watte klauwde zijn vingers in de kabels van het net. Hij had geen tijd meer om steun te zoeken voor zijn voeten. Hij voelde hoe zijn geest werd meegezogen in de stroom. Steeds hoger, tot hij het gevoel had langs de trein te wapperen als een vlag.
De gedachte dat hij de plek waarmee hij zo verkleefd was zou verliezen en dat hij de hele verdere verre reis zonder vast steunpunt zou moeten maken, dreigde hem te verlammen.
Hij raakte in paniek. Hij haalde diep adem. Probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat hij het wel zou redden. Zweet stond op z,n voorhoofd.
Toen de trein opnieuw even vaart minderde, zakte zijn lichaam omlaag. Zijn voeten vonden de grond die hij nodig had. Hij drukte zich dicht tegen de zitting van de versleten treinwagon aan. Zijn hart bonsde in zijn keel. Harder dan de wielen op de rails. Pas toen hij een beetje op adem gekomen was, keek hij om zich heen
Gelukkig , een lieftallige medereizigster zat tregenover hem. Ze grijnsde.
'Je wilde toch de wereld zien?!'zei hij tegen zichzelf.
Na de dag gleed de nacht voorbij als water. Nu en dan dreigde hij in slaap te dommelen, maar voor hij helemaal wegzonk, besefte hij telkens met een schok dat hij wakker moest blijven. Reizen is naar jezelf kijken tegen een andere achtergrond.
Hij keek in het raam van de trein. Daarachter was alles donker. Als hij het te kwaad kreeg, drukte hij zijn gezicht tegen het glas. Soms flitsten lampen voorbij en moest hij zijn ogen sluiten tegen het felle licht. Daarna moest hij al zijn wilskracht verzamelen om zijn oogleden weer uit elkaar te scheuren.
De vouwbalg tussen de twee wagons kreunde.
Toen hij voorzichtig met zijn hand over zijn bezwete borstkas ging, voelde hij dat zijn hemd doornat was. Hij hield zijn hand voor zijn gezicht, maar pas toen de trein voorbij enkele straatlantaarns reed, kon hij zien dat er bloed aan zijn vingers kleefde.
Het afscheid van huis,haard en vrienden had een echte wond geslagen in zijn door pijn gekneusde lijf.
'Men moet van vrienden scheiden zoals Odysseus van Nausica afscheid nam, meer zegenend dan verliefd ', dacht hij .
Hij viel vermoeid tegen de schouder van de nog steeds glimlachende medereizigster in slaap. De trein denderde voort, een nieuwe wereld tegemoet.De wereld is een theater waar de slechtste lieden de beste plaatsen hebben maar hij had op haar schouder een ereplaats gevonden.
zaterdag 29 januari 2011
plaats
Is er ergens plaats voor woorden
Die snijden als
een verhit lemmet door boter
Is er ergens grond waarin woorden kiemen
Waarin ze zich wentelen
Als teefjes aan onze voeten
Is er ergens ergens een plek
Waar wij elkaar kunnen
Vinden bedoel ik vinden vinden
Is er ergens een bord waar de klanken
van vingergeratel op 't klavier
echoën en niet in vacuüm verdrinken ?
Die snijden als
een verhit lemmet door boter
Is er ergens grond waarin woorden kiemen
Waarin ze zich wentelen
Als teefjes aan onze voeten
Is er ergens ergens een plek
Waar wij elkaar kunnen
Vinden bedoel ik vinden vinden
Is er ergens een bord waar de klanken
van vingergeratel op 't klavier
echoën en niet in vacuüm verdrinken ?
mergpijpen
Het is de hele ochtend al stil geweest in de slijterij als opeens de winkelbel gaat. Lui komt de uitbater overeind. Een jongen van een jaar of dertig staat in de winkel.
‘Twee flessen whisky en een cognac ‘zegt de jongen met hese stem. Hij ziet eruit alsof hij vanaf kerstavond geen uur slaap heeft gehad, geen scheermes meer kon vinden laat staan een flacon shampoo om z’n haar te wassen. De winkel vult zich in rap tempo met een penetrante lucht die je wel eens ruikt als de moddervette kaartjesverkoopster achter het loket in de bioscoop op een hete zomerdag je het wisselgeld teruggeeft. Okselgeur waar zelfs vliegen voor op de loop gaan.
Met rollende ogen kijkt hij langs de schappen van de goedgevulde winkel, bij elke fles beginnen zijn overigens doffe ogen te twinkelen als sterren in een vrieslucht.
De uitbater, wel het een aan drankorgels gewend die zijn zaak frequenteren, begint het vermoeden te krijgen met een kenner te maken te hebben.
Niets blijkt minder waar want als de uitbater vraagt of hij voorkeuren heeft, volstaat de jongen met : ‘ kan me niks schelen, als het maar nat is.’.
‘ Heeft meneer misschien een drankprobleem?’ probeert de uitbater voorzichtig.
‘Een drankprobleem ?. Dat is het probleem als er geen drank in huis is,’zegt de knaap nijdig.
Hij wijst intussen op een paar flessen waarvan de prijs hem kennelijk ontgaat want het zijn niet de goedkoopste merken.
‘Er zijn twee soorten dorst: de zondige, die sterke drank wil om de erbij horende mist en die derhalve nooit geheel kan worden gelest. En de kuise, die met een koud flesje sodawater uit de brand is. De laatste komt bij mij nooit voor, de eerste daarentegen voortdurend’,mompelt hij langs de rekken wandelend.
De uitbater knikt begripvol, hij kent de zondaars beter dan de pastoor in de biechtstoel.
‘Er blijft altijd in het geweten iets achter van de drogredenen die men erin gegoten heeft; het houdt er de nasmaak van, als van een slechte drank ‘orakelt de jongen. ‘Wegspoelen is dan het enige dat helpt.’
De uitbater reikt hem een fles op eikenbladeren gestookte whisky aan en zegt: ‘Met deze drank in je lijf zie je weldra in iedere vrouw een mooie Helena’ .Hij hoopt de arme zuiplap daarmee een beetje op stoom te helpen.
‘ Ik zoek geen Helena en ook geen Tina, vergetelheid is mijn behoefte’, sprak de jongen minzaam.
‘Het leven is een soep met vier troostende mergpijpen erin: de drank, de liefde, geld en de kunst. De enige pijp die ik toen nu toe smaakte was die van de drank ,voor de rest heeft mijn moeder me niet in de wieg gelegd ,’eindigde hij filosofischer dan de uitbater voor mogelijk had gehouden.
Hij pakte de flessen voor hem in en de jongen sjokte de winkel uit het naakte leven tegemoet, de zure geur met zich meenemend.
De uitbater keek hem na als de pastoor die vergeten lijkt de opgebiechte zonden te vergeven.
Het leven is een lichtflits tussen twee eeuwen vol met duisternis denkt hij en lui zakt hij achterover in de donkere hoek van zijn winkel.
‘Twee flessen whisky en een cognac ‘zegt de jongen met hese stem. Hij ziet eruit alsof hij vanaf kerstavond geen uur slaap heeft gehad, geen scheermes meer kon vinden laat staan een flacon shampoo om z’n haar te wassen. De winkel vult zich in rap tempo met een penetrante lucht die je wel eens ruikt als de moddervette kaartjesverkoopster achter het loket in de bioscoop op een hete zomerdag je het wisselgeld teruggeeft. Okselgeur waar zelfs vliegen voor op de loop gaan.
Met rollende ogen kijkt hij langs de schappen van de goedgevulde winkel, bij elke fles beginnen zijn overigens doffe ogen te twinkelen als sterren in een vrieslucht.
De uitbater, wel het een aan drankorgels gewend die zijn zaak frequenteren, begint het vermoeden te krijgen met een kenner te maken te hebben.
Niets blijkt minder waar want als de uitbater vraagt of hij voorkeuren heeft, volstaat de jongen met : ‘ kan me niks schelen, als het maar nat is.’.
‘ Heeft meneer misschien een drankprobleem?’ probeert de uitbater voorzichtig.
‘Een drankprobleem ?. Dat is het probleem als er geen drank in huis is,’zegt de knaap nijdig.
Hij wijst intussen op een paar flessen waarvan de prijs hem kennelijk ontgaat want het zijn niet de goedkoopste merken.
‘Er zijn twee soorten dorst: de zondige, die sterke drank wil om de erbij horende mist en die derhalve nooit geheel kan worden gelest. En de kuise, die met een koud flesje sodawater uit de brand is. De laatste komt bij mij nooit voor, de eerste daarentegen voortdurend’,mompelt hij langs de rekken wandelend.
De uitbater knikt begripvol, hij kent de zondaars beter dan de pastoor in de biechtstoel.
‘Er blijft altijd in het geweten iets achter van de drogredenen die men erin gegoten heeft; het houdt er de nasmaak van, als van een slechte drank ‘orakelt de jongen. ‘Wegspoelen is dan het enige dat helpt.’
De uitbater reikt hem een fles op eikenbladeren gestookte whisky aan en zegt: ‘Met deze drank in je lijf zie je weldra in iedere vrouw een mooie Helena’ .Hij hoopt de arme zuiplap daarmee een beetje op stoom te helpen.
‘ Ik zoek geen Helena en ook geen Tina, vergetelheid is mijn behoefte’, sprak de jongen minzaam.
‘Het leven is een soep met vier troostende mergpijpen erin: de drank, de liefde, geld en de kunst. De enige pijp die ik toen nu toe smaakte was die van de drank ,voor de rest heeft mijn moeder me niet in de wieg gelegd ,’eindigde hij filosofischer dan de uitbater voor mogelijk had gehouden.
Hij pakte de flessen voor hem in en de jongen sjokte de winkel uit het naakte leven tegemoet, de zure geur met zich meenemend.
De uitbater keek hem na als de pastoor die vergeten lijkt de opgebiechte zonden te vergeven.
Het leven is een lichtflits tussen twee eeuwen vol met duisternis denkt hij en lui zakt hij achterover in de donkere hoek van zijn winkel.
Abonneren op:
Posts (Atom)